Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het stedelijk proletariaat naar het land geschapen is. Ir.dustrieele crisissen zullen dit helpen bevorderen.

Twee soorten van trek zijn reeds thans voor den landbouw te constateeren die op den weg van den gezonden vooruitgang liggen: de trek van het land naar de steden door de opgezeten arbeiders en het naar het land trekken van vreemde seizoenarbeiders, waardoor beide categorieën tot hooger sociale graden van beschaving gevoerd

worden; de derde soort van trek zal ontstaan, zoodra de voorwaarden van

den landarbeid het mogelijk maken en kan dan voor de industriebevolking den weg tot een lichamelijke wedergeboorte banen. Ook hier geldt het, de ontwikkeling niet door de wetgeving te dwingen, maar deze bewust in haar dienst te stellen.

Een onbekend terrein voor de arbeidswetgeving in haast alle staten was tot dusver het groote gebied van den persoonlijken en huiselijken dienst. De eerste hervormingspogingen in deze richting gingen van zwitsersche kantons uit. Bazel maakte in 1887 een aanvang om het dienstpersoneel in koffiehuizen tegen afbeuling te beveiligen, door te bepalen dat meisjes beneden de 18 jaren, met uitzondering van de dochters van den koffiehuishouder, niet tot het bedienen der gasten aangewend mogen worden en allen kellnerinnen een minimum-rusttijd van 7 uren per dag verstrekt moet worden. Dit voorbeeld volgden Glarus, St. Gallen en Zürich, die den rusttijd op 8 uren en ter vervanging van de zondagsrust een wekelijkschen vrijen namiddag van 6 uren vaststelden. Daar het echter aan de noodige controle voor de doorvoering van zelfs deze geringe hervormingen ontbrak — zij laten toch alle een arbeidstijd toe van 16 a. 17 uren! — en van den kant der kellnerinnen op geen steun te rekenen valt, bleven zij geheel zonder uitwerking. ') Trots deze ervaring heeft het voorbeeld van Zwitserland Duitschland tot navolging opgewekt en het wetsontwerp dat den toestand der koffiehuisbedienden regelen zal, gaat slechts in enkele punten verder dan dat van Zwitserland. In plaats van de vaststelling van den arbeidstijd, een van zelf sprekende eisch zoodra men erkent dat het menschelijk leven nog een hooger inhoud hebben moet dan loonarbeid en slaap, treedt de vaststelling van een minimum rust, dat in Duitschland in kleine steden 8 en in groote steden, waar de heen- en terugweg van en naar de plaats van arbeid in rekening gebracht is, 9 uren bedragen moet; een wekelijksche vrije middag van 6 uren, een geheele rustdag van 24 uur in de drie weken komen hierbij. Dat is met andere woorden dat de kellnerin dagelijks 15 tot 16 uren op de been moet

1) Zie A. Cohen, Der Entwurf von Bestimmungen iiber die Beschaftigung der Gastwirtsg?hilfen in Brauns Archiv, 17e deel.

Sluiten