Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de weinige reeds sterk overladen duitsche arbeidsinspecteurs toch niet verlangen dat zij nog omstreeks 173000 bedrijven meer zullen controleeren, — dat zijn alle bepalingen die de grenzen van het noodzakelijke nog niet eens bereiken, en de aanvulling van de beperking van den arbeidstijd voor volwassenen en van het fooienstelsel moesten uitmaken. Voor zoover de zedelijkheid van de arbeidsvoorwaarden afhangt, zal deze door een wet van dien inhoud ook slechts bevorderd worden. Haar nog meer te willen „beschermen" is niet de taak der wetgeving. Deze heeft alleen den grondslag te verzekeren, waarop een menschwaardig bestaan opgebouwd kan worden, en de uiterlijke voorwaarden te regelen die in staat zijn de onafhankelijkheid van ieder individu te waarborgen.

Wanneer de bovenstaande beschouwingen het bewijs geleverd hebben dat de wettelijke bescherming der arbeiders op elk gebied va<i arbeid doorvoerbaar is, schijnt zij thans toch het punt bereikt te hebben waar de toegepaste methode niet meer tot het doel leiden kan: den huiselijken dienst. De dienstboden staan buiten de „Gewerbeordnung"; slechts in Nieuw Zuid-Wales heet de achturige arbeidsdag ook voor hen te gelden; alle overige staten hebben of geen bizondere voorschriften die den huiselijken loonarbeid regelen, of zij bezitten deze in den vorm van dienstbodenwetten, zooals Duitschland en Oostenrijk. Ook hierbij is geen sprake van uniforme rechtsbepalingen, maar van talrijke, vaak in iedere provincie verschillende voorschriften — Duitschland alleen telt er bijna 60 — die hierdoor reeds het stempel van een vervlogen tijdperk, waarin de vrijheid van beweging nog onbekend was, dragen; want de kennis dezer wetten, die zelfs den rechtsgeleerde moeilijk valt, kan onmogelijk verlangd worden van de dienstbode die van plaats tot plaats en van land tot land trekt. Wat deze bepalingen echter op nog veel duidelijker wijs als overblijfsels van het verleden kenmerkt, is hun inhoud, die met iedere moderne opvatting van het arbeidscontract en van de dienstverhouding in scherpe tegenstelling staat.

Eenige voorbeelden mogen dit staven. Volgens de duitsche arbeidswet is het op straffe verboden, getuigschriften in de arbeidsboeken der industriëele arbeiders aan te brengen; de meeste dienstbodenwetten echter maken het geven van getuigenis omtrent het persoonlijk gedrag van de dienstbode verplicht voor de werkgevers. Op grond van diezelfde arbeidswet is het in mindering brengen van eenige vordering van den werkgever tegenover de loonvordering van den arbeider ongeoorloofd; de patroon daarentegen kan bij eenig hem toegebracht nadeel niet alleen van het loon van den dienstbode zich schadeloos stellen, hij kan zelfs, voor het geval dit loon niet toereikend is, een veraoedina

Sluiten