Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige noemenswaardige bescherming deelachtig worden. Zoo worden bijv. „ongehoorzaamheid", „onbehoorlijk spreken", „lui gedrag", „ongepaste handelingen" in verschillende duitsche dienstbodenwetten strafbaar gesteld. Ja zelfs de lijfstraf kan door de werkgevers op de dienstboden nog toegepast worden, want de dienstbodenwetten van Brunswijk, Pommeren, Saksen, Reuss en Meiningen kennen den werkgevers het recht van tuchtiging uitdrukkelijk toe, en in Pruisen kunnen zij zich ongestraft aan „beleediging en licht lichamelijk letsel" schuldig maken.

Men hoopte dat het burgerlijk wetboek aan deze bepalingen, die het dienstpersoneel weerloos overleveren in de handen der werkgevers, een einde zou maken. En het verklaarde inderdaad, dat den werkgevers het recht van tuchtiging niet toekomt; alleen verloor deze verklaring voor de praktijk elke beteekenis door de omstandigheid dat art. 95 van de wet tot invoering van het burgerlijk wetboek alle dienstbodenwetten uitdrukkelijk laat bestaan en — om hieromtrent volstrekt geen twijfel te laten opkomen — een pruisische ministerieele verordening het volgende bepaalde '): „Wat de in de laatste paragraaf van artikel 95 vervatte verklaring betreft, waarbij den werkgevers tegenover het personeel een recht van tuchtiging niet toekomt, daardoor worden de in Pruisen bestaande landsvoorschriften niet getroffen, daar geen der laatste zulk een recht instelt, ook niet § 77 der dienstbodenwet, doch deze slechts geringe handtastelijkheden van den werkgever ongestraft laat, wanneer deze door ongepaste, toornverwekkende houding van het personeel veroorzaakt worden. Dit verlof tot geringe handtastelijkheden is dus volgens de logica van pruisische ministers geen tuchtigingsrecht en het personeel kan nog steeds op oorvijgen onthaald worden!

Hoe zeer deze uitzonderingspositie van het dienstpersoneel met de geheele richting der sociaal-politieke wetgeving in tegenspraak verkeert, kon ook den meest kortzichtigen niet verborgen blijven. Maar zoo men al huiverig was om de gezinswerkplaats en het gezinskoffiehuisbedrijf onder wettelijke regelen en wettelijk toezicht te brengen, hoeveel te eer moest men dan niet bevreesd zijn om het gezinshuishouden daaraan te onderwerpen. Elke hervormingspoging in deze richting droeg het karakter van artikel 95 in zich: zij werd aanstonds weer in haar tegendeel verkeerd. Zoo stelde de vrijzinnige partij in den duitschen Rijksdag in 1893 wel de gelijkstelling van het dienstpersoneel met de industrieele arbeiders voor, in 1895 echter stemde zij in de commissievergadering voor de onderhavige paragraaf in het burgerlijk wetboek tegen de opheffing der dienstbodenwetten. Het Centrum daarentegen

1) Zie Ministerialblatt für die gesammte innere Verwahung, 1898, blz. 201.

Sluiten