Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werden de gedwongen diensten sedert 1863 als uit den Booze beschouwd, geheel scheen men ze nog niet te kunnen ontberen.

De Koloniale Verslagen tot 1870 getuigen hier en daar nog van hunne laatste stuiptrekkingen.

Zoo vinden we in het verslag van 1865:

„Waar tot uitvoering in daghuur werd overo-eoaan „werden geen andere clan vrijwillige werklieden gebezied' „tenzij bewezen was, dat tegen redelijke betahng o-een „ai beiders ter plaatse te bekomen waren".

Deze bewoordingen laten zelfs nog twijfel bestaan of men in die uitzonderingsgevallen wel gebruik gemaakt heeft van gedwongen dienst, dan wel van Jussc hen komst van het Bestuur", waaronder de aandachtige lezer van het rapport De Bruijn wel weet wat hij te verstaan heeft:

Ook het rapport van 1870 vermeldt nog eene toepassing.

gebrek aan vrijwillige koelies werden in de „residentiën Bezoeki en Banjoewangi heerendienstplichtigen „ten arbeid gesteld voor den bouw van signalen, observatie* en verblijfhutten en steenen pilaren ten behoeve „van de nog in che gewesten uit te voeren triangulatie• „een loon van ƒ 0.50 per etmaal en per hoofd, berekend „over den vollen duur van den tijd door hen buiten hunne „woonplaatsen doorgebracht, werd hun te goed gedaan".

Zoowel de aard van het werk, die geheel lag buiten de grens door de adat getrokken om den arbeid, die de Javaan gewoon was in heerendienst te verrichten als het uitgekeerde loon, dat te ruim was om als tegemoet-

Sluiten