Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet meer en niet minder dan de proclamatie der blijde tijding, dat, met „la mort sans phrase" van gedwongen c ïensten het tijdperk aangebroken was, waarin de Javaan voortaan als vrijarbeider te boek zou staan.

Met recht had destijds aan de Indische Regeering' gevraagd kunnen worden: wat geeft U aanleiding tot de veronderstelling, dat het gezag in den vervolge alle middelen kan ontbeeren om den voor vrijwilligen arbeid ongeneigd bevonden Javaan tot werken te dwingen in gevallen, niet te rangschikken onder rampen van hooger and en afwending van algemeen gevaar, doch waarin ce medewerking van den inboorling door het algemeen belang gevorderd wordt? Zijn er teekenen die er op wijzen dat de Javaan op den langen weg van pandelingtot vrijarbeider zoodanig met reuzenschreden is vooruitgegaan, dat geen waarneembare afstand hem nog van het einddoel gescheiden houdt?

Dat dergelijke vragen niet in het Verslag der Commissie van Rapporteurs omtrent het Koloniaal Verslag van 1876,

noch bij de behandeling van de Indische Begrootinoover 1877 gesteld zijn, is een bewijs voor weinig belangstelling m deze materie van de zijde der hoogste machthebbenden, dan wel eene aanwijzing van de

mogelijkheid, dat het gewicht der bedoelde omissie niet door hen gevoeld is.

. We zullen thans tle geschiedenis uitspraak laten doen in het vraagstuk, of in 1875 de tijd reeds gekomen was om in zake de voorziening in werkkrachten bij de

penbaie Werken een systeem van non-interventie te gaan toepassen.

We zullen nagaan hoe de werking van dat systeem zich voornamelijk ten opzichte van de sedert uitgevoerde

Sluiten