Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven; wij hebben eene keuze te doen uit het vele, dat hij ons gegeven heeft.

Reeds dadelijk S. 4 van zijne brochure neemt Weiss positie tegenover Grafe, volgens vvien de rijken, die immers 4:13 en 5:1 worden toegesproken, Christenen zijn. Op grond van eene nauwkeurige exegese evenwel van 2:7, 5:1 v.v., 4 : 13—j6, 1 :9 v.v. meent Weiss tot het resultaat te moeten komen, dat de rijken ongeloovige Joden zijn. Wat het voorval 2 : z v.v. aangaat, wij hebben hier te doen met iets, dat geschiedt in de Joodsche synagoge,]) die nog bezocht wordt door de Christenen. Aan eene specifiek Christelijke bijeenkomst valt niet te denken, daar men niet begrijpt, »was den geldstolzen, die Christen hassenden und verfolgenden Juden in die Konventikel der Glaubigen geführt hat« (S. 7). De arme en onderdrukte lezers van den briet zijn dus Joodsche Christenen, die nog de samenkomsten in de synagoge bijwonen. Zij staan blijkens 2 : 6 nog onder de »L)isziplinargerichtsbarkeit« der synagoge. De xiftryoia, waarvan hier sprake is, zijn bepaald rechtbanken, rechterstoelen van de synagoge; niet van de Heidenen. Het is volstrekt niet in strijd met de historie, gelijk Grafe meende, aan te nemen, dat de lezers van den Jacobusbrief Joodsche Christenen waren, gelijk hen ook het adres doet kennen. ~) Wij hebben dus dit geval, dat in die bepaalde streek der diaspora, welke de auteur voornamelijk op het oog heeft, de armen geloovig waren geworden, terwijl de rijken zich van de prediking

') Vgl. Einl. S. 397, Anm. 4.

-) Vgl. beneden de aanmerking omtrent het adres van den brief, overgenomen uit de Einleitung.

Sluiten