Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er op te wijzen, dat een toestand van verval, gelijk die uit onzen brief blijkt, ondenkbaar is in den tijd der eerste Christelijke generatie. Maar het spreekt toch wel haast vanzelf, dat in een «Ermahnungbrief», gelijk onze brief is, de schaduwzijden van den toestand der gemeente(n) meer op den voorgrond treden dan de lichtzijden. Toch valt niet te ontkennen, dat de hewuste gemeente(n) zich in eenen toestand van krachtig verval bevond(en).

Maar wat bewijst dat? Hebben wij niet in Corinthe mutatis mutandis hetzelfde zien gebeuren, en dat nog wel in veel korteren tijd? Twintig jaren verder, en deze toestanden waren onder de Palestijnsche Christenen, zelfs in de gemeente van Jeruzalem, zóó algemeen geworden, dat — getuige de Hebreërbrief — zelfs het gevaar dreigde, dat men zou afvallen van het Christendom ; en hiervan is in den Jacobusbrief toch nog geen sprake. »Dass erstbekehrte Generationen grosser Begeisterung, aber auch rascher Entartung und Rückfalligkeit fahig sind (Mt. 13 : 20, 21), davon weiss die Missionsgeschichte zu erzahlen* (S. 39).

4°. Veel zou er in den brief zijn, dat nu eenmaal niet in overeenstemming is te brengen met den historischen persoon van Jacobus, Zoo wijst men op het vloeiend Grieksch van den brief, op het gebruik maken van de LXX, op het feit, dat nergens melding wordt gemaakt van de ceremonieele wet, in strijd met Gal. 2: 12, op het weinig persoonlijke van den brief, op het ontbreken van alle Christologie.

Om met dit laatste bezwaar te beginnen: zou dat ons niet veel meer bevreemden bij eenen auteur van

Sluiten