Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ondersteld nu voor een oogenblik, dat die geheele commentaar van Spitta onberispelijk is, wat hebben wij dan nog gewonnen ? De zekerheid, dat onze brief, uitgezonderd natuurlijk de vermelding van den naam Jezus Christus in i : i en 2 : 1, niets bevat wat ook niet een Jood had kunnen zeggen omstreeks denzelfden tijd, waarin men hem gewoonlijk geschreven acht! Nu is dit te weten natuurlijk wel van belang, maar volstrekt niet bewezen is wat bewezen zou worden : de Joodsche afkomst van onzen brief. Maar het specifiek Christelijke dan! Dat ontbreekt toch bijjacobus! Toch niet; mits men wete wat men onder dat specifiek Christelijke heeft te verstaan. J)

Het is toch te zonderling om aan Jacobus het Christelijke karakter te ontzeggen op grond hiervan, dat men voor alles wat hij zegt, eene parallel kan vinden in een of ander oorspronkelijk Joodsch geschrift, want met het evangelie van Jezus is het juist zoo gesteld. Ook dat bevat bijna niets, waarvan men het gelijkluidende niet kan aanwijzen in eenig Joodsch geschrift.

i) Zeer welsprekend schrijft Van Manen: „Het is een wonderlijk geval met dat „specifiek Christelijke". Gij meent het te hebben gevonden in de erkenning van God als Vader, van het gebod der liefde als het hoogste en ten slotte alles omvattende. En de Spitta's komen u bewijzen, dat dit alles reeds lang aanwezig was en niet uitgaat boven het beste in het oudere Jodendom. Zij vragen naar sporen van bekendheid met de leerstukken der verlossing, der menschwording van den Zoon, der verzoening door zijn kruisdood, der opstanding en der hemelvaart, der wederkomst van Jezus Christus. En nu schudt gij het hoofd, als wildet gij zeggen: hoe kunt gij zoo dom zijn en het specifiek Christeiijke zoeken in wat niet behoort tof het Evangelie van Jezus, maar vrucht is van jongere bespiegeling en leerstelling denken". (BI. 410).

Sluiten