Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De rijken verdienden bovendien zulk een aannemen des persoons volstrekt niet. Trouwens het aannemen van den persoon is op zichzelf reeds zonde en in strijd met de wet (2: 1 —13). Werken zijn noodig; geloof alleen baat niets. Geloof zonder werken is dood, gelijk men kan zien uit de geschiedenis van Abraham en van Rachab (2 : 14—26).

In verband met dit laatste vermaant de auteur zijne lezers om niet toe te geven aan hunne zucht om als leermeesters voor elkander op te treden. Liever moesten zij eene wacht plaatsen bij hunnen mond en voorzichtig zijn in hun spreken. Er wordt immers toch reeds zooveel gezondigd met de tong (3 : 1—12). In 3: 13—18 vinden wij de tegenstelling tusschen de valsche en de ware wijsheid, welke nauw samenhangt met het voorafgaande, daar de valsche wijsheid zich vooral in het misbruik van het woord openbaart, de ware daarentegen in het eenvoudig doen van wat goed is.

Gemakkelijk wordt van hier nu weer de overgang gemaakt tot c 4, waarin sprake is van de twisten en de tweedracht in de gemeente, waarvan de oorzaak wordt gezocht in de begeerlijkheden der lezers, de macht van hun vleesch, die streed tegen den Geest. Over het algemeen sloot men te veel vriendschap met de wereld en onderwierp men zich niet genoeg aan God (4: 1—10). Gebrek aan liefde tot God hing samen met gebrek aan liefde tot den naaste (4 : 11 en 12).

In 4: 13—17 richt Jacobus zich bepaald tot de rijken in de gemeente, en bestraft hij hunne valsche zekerheid, hun gebrek aan vertrouwen op het Godsbestuur en aan besef van afhankelijkheid. Men mag geene plannen

Sluiten