Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreuken gelijk te stellen. Dit oordeel is alleen op de vermaningen aan het slot van den brief (5:12—20) toepasselijk, maar op den brief zelf in 't geheel niet, gelijk b.v. uit de pericope 2:14—26, 4:13—16 of 5 : 1—6 voldoende blijkt.

Toch schuilt er waarheid in het oordeel van Luther, waarbij in lateren tijd Weizsacker en Harnack zich hebben aangesloten. Men moet n.1. erkennen, dat de schrijver van den brief niet steeds voet bij stuk houdt, en dat, waar een bepaalde samenhang is aan te wijzen, deze vaak berust op toevallige »Ideenassociationen c (b.v. 1 : 18 en 19 v.v, 1 : 27 en 2 : 1 v.v.). Zijn stijl is zeer spreukmatig en doet ons onwillekeurig denken aan het O. T.ische Spreukenboek en aan de Gnomen der oude Grieken. Opmerkelijk is het gebrek aan verbindingswoorden (vgl 1:12 v., 1:16 v.v., 5: 1—6). Er bestaat in dit opzicht groote overeenkomst tusschen onzen brief en Matth. 7. Volgens Zahn bestaan er in den brief maar drie »einigermassen weitlaufige Satzgefiige. (2:2—4, 15—16 en 4:13—15).

Hoe gemakkelijk de schrijver van het eene onderwerp overgaat tot het andere, blijkt uit 1 : 2—15. Hij begint met te spreken van verzoekingen en hij komt daarop later terug. Maar in vs. 5 v.v. spreekt hij plotseling van gebrek aan wijsheid, van twijfel, van de hoogheid waarop de nederige broeder mag roemen en van de vernedering van den rijke. Op te merken valt hierbij ook nog, dat de auteur blijkbaar spreekt van tweëerlei soort van tthqcks/ioi: in vs. 2, waar de lezers worden opgewekt om zich te verheugen, wanneer zij zich in velerlei beproevingen bevinden, en er

Sluiten