Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus op uitwendige levensomstandigheden wordt gedoeld; en in vs. 14, waar de verzoekingen worden herleid tot innerlijke aanvechtingen van begeerte en lust.

Verder klinken zinnen als 1 : ij, 13, 17a, 19b, 20, 27, gelijk Jülicher x) o. a. terecht heeft opgemerkt »wie langst ausgepragte Sentenzen.« Vooral op vs. 19b rust, wegens het woordje 8t 3), dat vs. 19a met 19b verbindt, sterk de verdenking, dat het geput is uit eene schriftelijke bron.

Een en ander is echter niet van dien aard, dat het ons zou moeten nopen om met Luther den Jacobusbrief eene compilatie, eene verzameling van losse spreuken te noemen. Maar wel verhindert het ons om met Schwegler mee te gaan, als hij den brief eene verhandeling, een didactisch geschrift in fictieven briefvorm noemt. Van eene verhandeling, die een bepaald onderwerp in streng logischen gedachtengang voor hoorders of lezers ontwikkelt, heeft onze brief weinig of niets. Zeker, de auteur bedoelt ook te leeren, maar hij richt zich veel meer tot het gemoed dan tot het verstand van het publiek, dat hij zich voorstelt. Veel meer dan onderwijzen is opvoeden zijn doel, en zijn geschrift draagt dan ook niet het karakter van een leerschrift, maar van eene stichtelijke toespraak, die gegoten is in den vorm van een brief. Wij zeggen »in den vorm van een brief«, want een werkelijke brief, een brief in den gewonen zin van het woord is de Jacobusbrief zeker niet. Als gericht aan de twaalf

') Vgl. zijne Einl. 1894, S. 138. 3) Niet alle codices hebben <?s.

Sluiten