Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook overigens in het N. T. wel voor. *) En men zal moeilijk kunnen zeggen, dat onze auteur de gedachte, welke hij wilde uitspreken, eerst aan den apocalypticus moest ontleenen.

Verder kunnen wij herinneren aan het feit, dat onze Jacobus zijnen brief gericht heeft aan de twaalf stammen in de verstrooiing (i : i), terwijl in de Apocalypse die oude stamverdeeling herhaaldelijk voorkomt. 2)

Een en ander geeft echter, naar wij meenen, aan Pfleiderer niet het recht om te zeggen, dat onze auteur de Apocalypse heeft gekend. s) Voorzichtiger is dan nog Holtzmann, die hier bijvoegt: «waarschijnlijk». l)

Over de andere Johanneïsche geschriften behoeft hier ternauwernood te worden gesproken. Wel is waar heeft Mayor een groot aantal parallellen trachten aan te wijzen tusschen onzen brief en het 4'le evangelie, maar zij zijn zoo weinig overtuigend, dat wij er ons hier niet mede hebben bezig te houden. Met den eersten brief van Johannes schijnen wij op vaster bodem te staan. Wij kunnen vergelijken 2:15 en 16 met 1 Joh. 3:17; 4:4 met 1 Joh. 2:15; 5:19 en 20 met 1 Joh. 5 : 16. Inderdaad zal men moeilijk kunnen ontkennen, dat hier veelal verwante gedachten zijn uitgesproken, al zijn die dan ook, gelijk von Soden 5) opmerkt »ganz verschieden zum Ausdruck gebracht.»

') Vgl. bv. Matth. 5 : 45 enz.

2) Bv. 7 : 4—8, 21 : 12. Vgl. Blom, De brief van Jac., bl. 180.

3) Het tegengestelde gevoelen is verdedigd door Prof. Völter in zijn boven aangehaald werk.

4) Vgl. ook Spitta, Die Offenbarung des Johannes 1889,8.521 f.

6) Vgl. H. C. 1899, S. 169.

Sluiten