Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft. J) »'t Is (meenen enkelen) een genit. qualitatis, die verbonden met het daaraan voorafgaande te kennen geeft, dat Jezus de volheerlijke is (Huther, Beyschlag, von Soden). Zij beroepen zich op analogieën, zooals <> otxovofiog rrg aóixiug, ó xijti^g t/(g uótxtug (Luk. XVI: 8, XVIII: 6) maar zien voorbij dat zulk eene constructie, hoe gepast ook achter appellativa, achter een nomen proprium geheel misplaatst is. Anderen (Martens) verbinden dan ook dien genitivus qualitatis met ri/v mauv en vertalen: >geloof der heerlijkheid aan onzen Heer Jezus Christus» en verstaan dan onder »geloof der heerlijkheid» een geloof, waarop de heerlijkheid wacht, waarvan de heerlijkheid afhangt, dat tot de heerlijkheid leidt, waaraan de heerlijkheid eigen is; korter en duidelijker: »het zaligmakend geloof aan onzen Heer Jezus Christus». — Maar ook hiertegen heeft De Hoop Scheffer een bezwaar. »Alsof er ooit of ergens een voorbeeld van bestond, dat een genitivus qualitatis door een genitivus objecti van het nomen gescheiden werd!» Evenwel, het aantal verklaringen is nog niet ten einde. >Nog weer anderen (Blom, Erdmann) lasschen een tweede tou xvqiov vóór riis Sofyj in, waaruit de zin ontstaat: geloof aan onzen Heer Jezus Christus als heer der heerlijkheid, of (met de synodale vertaling) geloof, dat van onzen Heer Jezus Christus, den Heer der heerlijkheid, uitgaat (Von Soden).» Het bezwaar hiertegen is natuurlijk, dat dit tweede rov xuqiov er niet staat. Maar ook afgezien nog van het

') Zie Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, derde reeks, 8e deel, 1892, bl. 237 v.v.

15

Sluiten