Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is toch bekend, dat vooral bij het woord xvQiof dergelijke aanvullingen dikwijls hebben plaats gehad doordien de naam van Jezus er werd ingevoegd. Een voorbeeld daarvan vindt men in onzen brief zelf. Bij de woorden iv óvofiaii tov xvqiov (5 : 14) vindt men in sommige minuskels de appositie 'lyaov of 'Irjnov Xqiotov. !)

Nu zou men echter kunnen vragen: wanneer de titel xvQioi rt]i So^Tji in 1 Cor. 2 : 8 eene aanduiding en omschrijving is van Jezus Christus, waarom kan dat dan ook niet in ons vers? Het antwoord moet evenwel luiden: omdat het verband deze interpretatie niet toelaat. Noch in het voorafgaande (2 : 1 hangt zeer nauw samen met 1:27), noch in het volgende (vgl. bv. 2 : 5 ovf_ o 9iog t$d(!;ato) is sprake van Christus, maar slechts van God. Men zal daarom moeten aannemen, dat onder den »Heer der heerlijkheid» van 2 : 1 te verstaan is God en niet Christus. ~) Spitta heeft dan ook uit het boek Henoch eene reeks van plaatsen aangehaald, waarin aan God de titel xvqios tw dol-ys gegeven wordt.

Zijn nu de woorden tj/mo» 'Iqaov Xqiotov in 2 : 1 naar alle waarschijnlijkheid later ingevoegd, zoo komt men daardoor reeds eenigzins sceptisch te staan tegenover i:i, de eenige plaats nog, waar de naam van Jezus Christus voorkomt. Dat uit de aanduiding vanjacobus als faov xai xvqiov 'Iijaov Xqmtov dovloj zonder eenig bezwaar het specifiek Christelijke element kan worden

*) Vgl. ook Filipp. 4:13, Col. 1:2, 1 Thess. 1:1 en 2 Thess. 2:2.

-) Er is nog een argument van Spitta, ontleend aan de verhouding van Jacobus en 1 Petrus, maar daarover kunnen wij hier zwijgen, omdat wij over die verhouding juist omgekeerd meenen te moeten oordeelen.

Sluiten