Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgende woorden : ón noXvonXayxpof iariv ó xvnioi x«< oixTtQfiwv. Is nu in Jac. 5:11 evenals in 5 : 10 de mvqioj God, dan is Hij het ook in Jac. 5 : 7 en 8 en is ook in vs. 9 met den die vóór de deur staat, God

bedoeld.

Nog slechts ééne plaats blijft ons ter behandeling over, nl. 5 : 14 en 15^, waar Jacobus tot zijne lezers zegt: »Is iemand onder u ziek? Hij roepe de oudsten der gemeente tot zich en dat zij over hem bidden, hem gezalfd hebbend met olie in den naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal den lijder behouden, en de Heer zal hem oprichten.»

De uitdrukking tv r&> óvo^axi xov xuqiov komt ook voor in 5 : 10, waar blijkbaar eene tegenstelling bedoeld is tusschen de ware profeten, de profeten die wezenlijk optraden in den naam van Jahwe, en de valsche pro feten. Eene dergelijke tegenstelling vinden wij hier ook. Jacobus schrijft hier voor een zalven inden naam van God en verbiedt daarmee die veelsoortige tooverpraktijken enz., welke in dien tijd zoo bijzonder geliefd waren *).

Dat wij hier te denken hebben aan den naam van God en niet van Christus, volgt ook uit het verband met het volgende, waar op Elia gewezen wordt ten bewijze, dat een geloovig gebed verhoord wordt. Nu heeft Elia toch zeker wel tot God gebeden, en God heeft dat gebed verhoord. Zoo zal God ook den zieke genezen, wanneer slechts geloovig gebeden wordt. Niets is er dus in dit verband, dat ons op Christus wijst.

Vgl. Spitta, S. 146.

Sluiten