Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In vs. 26 eindelijk wordt de conclusie uit het vooralgaande getrokken, doordien de stelling, waarvan de auteur in vs. 17 uitging, wordt herhaald, en wel zóó, dat de uitdrukking vtxgoi nog door eene vergelijking wordt toegelicht, resp. gerechtvaardigd. Het geloof zonder werken is zoo dood, als het lichaam zonder geest.

Deze vergelijking kan ons vreemd voorkomen. Het geloof toch wordt hier gelijk gesteld met het lichaam en de werken met den geest. Men moet evenwel de vergelijking niet, zooals b.v. Spitta J) doet, nauwkeurig critiseeren. Zij dient, gelijk reeds gezegd werd, eenvoudig ter rechtvaardiging van de uitdrukking vtxyos en komt enkel hierop neer: waar geen spoor is van geest, daar is het lichaam dood; waar geene werken zijn, daar is het geloof dood.

Wat Jacobus in deze pericope wil zeggen, is als het ware samengevat in vs. 24: gqut* 6x1 iQya>i> dtxaioutai {irïïitconoj xai ovx ix maitcoj [iovov. Hieruit volgt, dat ook het geloof onmisbaar is voor de rechtvaardiging, maar dat het toch vooral de werken zijn, de gehoorzame vervulling van Gods wil, waarop het aankomt. De werken, welke voor God rechtvaardigen, moeten bepaald voortkomen uit geloof, uit eenen religieusen grondslag. Maar omgekeerd wordt eerst door de werken het geloof volkomen. Want geloof, waaruit geene werken voortkomen, anders gezegd, een geloof, dat niet tot werken leidt, is een onvolmaakt ding, een dood, een onvruchtbaar geloof.

') Spitta stelt voor om te lezen xivni/istTos in plaats van msuy.axo;.

Sluiten