Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatting is geheel en al ongeoorloofd. De brief had dan niet gericht moeten zijn aan de twaalf stammen, maar bepaald aan de »geloovigen« uit de twaalf stammen. Men heeft wel voor de genoemde opvatting verschillende argumenten in het midden gebracht, maar dezen kunnen ons kwalijk overtuigen. Men heeft zich vooral beroepen op de positie, welke de historische Jacobus zal hebben ingenomen. Zal het wel niet in zijne bedoeling gelegen hebben om de Heidensche Christenen van de lezing van zijnen brief uit te sluiten, zoo ligt het toch voor de hand om te onderstellen, dat hij alleen zijne stamgenooten heeft toegesproken als degenen, voor wie de brief bestemd was. — Voor ons, die meenen hier niet met eenen historischen Jacobus te doen te hebben, beteekent dit argument al heel weinig.

Men heeft verder gewezen op de uitdrukking 'Apfiann 6 Tiattjo TjiMov (2 : 21); maar dezelfde uitdrukking komt ook voor bij Paulus, en bewijst dus niets. Evenmin bewijst het woord auvayaiyt/(2 : 2), dat de lezers Joodsche Christenen waren. Toch geven wij Zahn ]) toe, dat men hier, evenals in 5 : 14 het woord ixAtjma had mogen verwachten. Aan den anderen kant evenwel hebben wij te bedenken, dat in Hebr. 10:25 sprake is van imavvaycayi]; dat Justinus de woorden awayoiytj en ixxXtjnia promiscue gebruikt ter aanduiding van de Christelijke gemeente; dat ook Hermas, Ignatius, Irenaeus, Theofilus, Clemens Alexandrinus het woord ouvayiayt/ gebruiken in denzelfden zin. 2)

1) Vgl. Einl. I, 1897, S. 67.

2) Vgl. Foucart, Les associations religieuses che/. les Grecs, 1873.

Sluiten