Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een man binnenkomt met eenen gouden ring aan den vinger, in een prachtig kleed, en er komt ook een arme binnen in een schamel kleed, en gij ziet op tegen hem, die het prachtige kleed draagt, en zegt: »ga gij hier vooraan zitten !» en tot den arme zegt gij: »ga gij daar staan of zit onder aan mijne voetbank», hebt gij geen onderscheid bij uzelven gemaakt en zijt rechters geworden van booze overleggingen ?«

Deze woorden zijn blijkbaar gericht tot de bestuurders der gemeente. In eene gemeente, vooral in eene groote gemeente, worden de godsdienstige bijeenkomsten niet alleen bezocht door de vaste kern der gemeente, maar ook door anderen, die niet geregeld of zelfs zeer zelden komen. Aan deze laatsten moet dan eene plaats worden aangewezen en bij die gelegenheid wordt in de gemeente(n), waarop hier gedoeld wordt, zulk een ergerlijk onderscheid gemaakt in de behandeling van rijken en armen.

Vooral deze laatste plaats (2 : 2—4) toont, hoever de verwereldlijking van het Christendom reeds is doorgedrongen. De opzieners der gemeente moeten er aan herinnerd worden, dat God de armen uitverkoren heeft (2 : 5), *) en dat het gebod der naastenliefde, dat het »koninklijke f genoemd wordt (2 : 8), niet alleen geldt met betrekking tot de rijken, maar ook wat betreft de armen. -') Maar verder hebben ook de armen de ver-

Weiss (Der Jakobusbr. u. s. w. S. 5) ontleent aan 2 :5 een argument voor zijne meening, dat de rijken niet tot de Christelijke gemeente behoorden.

») Men make zich niet schuldig aan (Lev. 19: 15,

Deut. 1:17 en 16 : 19).

Sluiten