Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cobus te strijden, maar tegen voorstanders, al zijn het dan ook eenzijdige voorstanders, der Paulinische geloofsleer.

Dat bewijst de pericope 2: 14—26. Nu was Marcion ook wel een aanhanger van Paulus, maar hij was dualist en tegenover hem had dus Jacobus niet kunnen zeggen: »gij gelooft, dat er één God is« (2:19a).

Ook bij 4:11 zullen wij niet aan de O. T.ische critiek van Cerdo en Marcion te denken hebben. Wie aldus oordeelt verstaat het gezegde niet of maakt er misbruik van.

Met het oog op de nnQuaftot, waarvan Jacobus spreekt in 1:2, heeft men ') wel eens gedacht, dat de lezers van onzen brief onder vervolgingen gebukt gingen. Maar die opvatting is niet te handhaven. Allereerst is het begrip nnguottot zeer onbepaald; er ligt volstrekt niets in, dat ons juist wijst op vervolgingen. Veeleer blijkt uit 1:9 vv., dat de juiste verklaring der miQuapot zal zijn te zoeken in den ongelukkigen socialen toestand der lezers 2). Wel zullen de tijdsomstandigheden van dien aard zijn geweest, dat het den Christen voordeel aanbracht, wanneer hij zijn Christendom maar verloochende, maar toen Jacobus zijnen brief schreef, kan de vervolging onmogelijk heftig geweest zijn, want dan had Jacobus er zeker wel anders over gesproken.

J) Zoo bv. Hilgenfeld in Z. f. w. Th. 1873, S. 1 ff; Von Soden in Tahrb. f. prot. Theol. 1884.

2) Geheel anders oordeelt Weiss. (Der Jakobusbrief u. s. w. S. 14 f). Volgens dezen geleerde bestaat de jretpa»ftof in de verzoeking der Christenen om hun geloof in Christus op te geven tengevolge van het uitblijven van de paroesie van Christus.

Sluiten