Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l6. op ile natuur der mijnen;

2e. op de Fransche wetgeving;

3e. op de algemeene jurisprudentie in Europa;

4®. op de bijzonder ernstige bezwaren, die uit de toepassing der artikelen zouden moeten voortspruiten, waarvan zij de opheffing vroeg.

le. De oppervlakte is tot het oneindige verdeelbaar en men kan ze in elke richting begrenzen. De ontginbare delfstoffen daarentegen worden in afzettingen van verschillenden vorm aangetroffen, waarvan de begrenzing niet verband houdt met de grenzen aan de oppervlakte. Het is onmogelijk te beweren, dat ze tot nu toe, en ook in toekomst, al de verdeelingen zullen volgen die zich aan de oppervlakte hebben voorgedaan of nog zullen voordoen.

2®. De wetgeving in Frankryk is altijd uitgegaan van het beginsel, dat de afzettingen van nuttige delfstoffen het eigendom van den Staat zijn; het was eene uitzondeiing op het algemeen geldende beginsel, dat Hendrik 1\ en Lodewijk XIV aan de eigenaren van de oppervlakte toestonden , om ovex* de steenkoolafzettingen te beschikken die in hunne terreinen aanwezig waren. Lodewijk XV, bij een besluit van den Raad van 14 Januari 1744, en Lodewijk XVI, dóór een édict van 19 Maart 1783, hadden de steenkoolmijnen weder terug verwezen onder den algemeen aangenomen regel. De vereenigde Comités van de C onstitueerende Vergadering, die in opdracht hadden om een ontwerp wet op de mijnen in te dienen, hebben erkend, dat ze tot het domein van den Staat behoorden, en wanneer de wet van 28 Juli 1791 nochtans aan de eigenaien \an de oppervlakte, in de terreinen waarvan de delfstoöen tei dispositie stonden van het gouvernement, honderd voeten diepte toekende 1), dan geschiedde zulks ten gevolge van

1) De wet van 1791 bepaalde, dat tot 100 voeten diep onder den )>eganen grond de delfstoffen het eigendom van den eigenaar van de oppervlakte zouden zijn.

Sluiten