Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze wet geheel van de Indische mijnwet. In Indië wordt recht van opsporing slechts verkregen door vergunning van Regeeringswege. Het verschil in deze met de hier vigeerende wet is van veel beteekenis. Immers het spreekt vanzelf, dat, waar het onderzoek geheel vrij is, waar iedereen kan boren waar hij wil, men van te voren niet heeft een begrensde oppervlakte waarop de exploratie betrekking heeft. Dat is anders in de Indische mijnwet geregeld.

,Bij verleening van vergunning volgens de wet tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen, wordt het terrein, waarover de vergunning zich uitstrekt, nauwkeurig aangeduid. Dientengevolge kan dus ook bij gunstige resultaten van die onderzoekingen ten aanzien van een bepaald veld een zeker recht aan de onderzoekers worden toegekend.

„ Maar van het oogenblik af, dat men volkomen vrijheid laat aan ieder om te onderzoeken en te boren waar hij wil, is de waarde van de resultaten dier onderzoekingen onbestemd. Immers het spreekt vanzelf, dat de waarde van een mijnveld niet alleen afhankelijk is van den rijkdom van de daarin aangetroffen kolenlagen, maar ook van de uitgestrektheid van het veld zelf. Wanneer het nu iemand vrijstaat om op een plaats boringen te doen, terwijl een ander hetzelfde mag doen onmiddelijk daarnaast, dan kan het niet anders of die vrijheid moet van invloed zijn op de aanspraken, welke men uit het verrichten van boorond er zoekingen ontleent.

„Wanneer men de geschiedenis van de wet van 1S10 nagaat, dan ziet men, dat er bij de behandeling daarvan sprake is geweest om aan den „vinder" of den grondeigenaar een zeker recht op concessie toe te staan, in den geest der vroegere wet van 1791. Ik laat nu daar in hoever dit zou leiden tot bevoordeeling van de groot-grondbezitters, maar vestig er de aandacht op, dat bij de voorbereiding van de wet van 1810 Napoleon zich van dit stelsel afkeerig toonde. Hij wilde daarvan niets weten en verklaarde, dat hij voor den Staat onbeperkte en volledige vrijheid wenschte

Sluiten