Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens haar beste weten vast te stellen, mag zij daaruit zeker niet de gevolgtrekking maken, dat de ontdekker tjeene rechten kan doen gelden en zulks weder geheel in strijd met art. 17 van de mijnwet van 1810, dat uitdrukkelijk les droits des inventeurs vermeldt.

De geheele beschouwing van den Minister, dat de waarde van eene in het werk gestelde opsporing onbestemd is, wanneer niet vooraf de opspoorder heeft eene begrensde oppervlakte als terrein van opsporing, berust op een minder juist inzicht in de zaak, op het niet in aanmerking nemen van het mijnrechtelijke beginsel, dat wie het eerst zich aanmeldt ook het meeste recht kan doen gelden. Om dit in het licht te stellen, verwezen wij juist naar de Pruisische mijnwet, waar meer dan in eenige andere wet het recht van den eersten vinder vooropgesteld wordt, en die toch in dit opzicht op hetzelfde beginsel berust als de Fransche mijnwet van 1810.

Hoe de Minister er toe kon komen om te verklaren r dat erkende autoriteiten op het gebied van het Fransche mijnrecht eveneens zijne denkbeelden zijn toegedaan, is niet wel begrijpelijk. Hij moet ze dan verkeerd gelezen of begrepen hebben. De Minister zegt dan o. a. het volgende:

„ Het hart der quaestie ligt echter minder in de vraag of de concessie aan anderen mag worden verleend, dan wel in die van de schadeloosstelling. Een ieder kon stellig weten, dat hij geen recht op de concessie had, dat hij geen zekerheid had om de concessie te krijgen, maar wel, dat hij recht had op schadeloosstelling.

„Welk recht op schadeloosstelling heeft hij? De wet van 1S10 zegt uitdrukkelijk, in de eerste plaats dat om recht op schadeloosstelling te hebben, men moet zijn „ inventeur vinder, en in de tweede plaats, dat het bedrag van de schadeloosstelling zal worden bepaald bij de acte van concessie. De wet van 1S10 laat het geheel aan het uitvoerend gezag over om de waarde dier schadeloosstelling te bepalen."

Voor hem die zich in deze zaak een onbevangen oordeel

Sluiten