Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de algemeene beschouwingen was het de heer de Savornin Lohman, die de principieele discussie over de staatsrechtelijke kwestie voortzette. De spreker ontwikkelde voornamelijk het bezwaar, dat het onderwerp der volkshuisvesting noch aan de gemeentebesturen werd overgelaten, noch door den wetgever volledig werd geregeld, maar dat een tusschenstelsel in het leven was geroepen, waarbij de hoofdpunten in de wet waren aangegeven, doch de verdere regeling geheel aan de gemeentebesturen was opgedragen, omdat zóóveel afhangt van lokale omstandigheden. Hierin lag volgens den heer Lohman het bewijs opgesloten, dat men te doen had met een uit haren aard gemeentelijke aangelegenheid. (H. II blz. 1217). De Minister van Binnenlandsche Zaken hield in zijn rede vol, dat de volkshuisvesting wel degelijk een rijkszaak was en het l ijk niet werkeloos kon toezien, of de gemeentebesturen dit groote algemeene belang behartigden dan wel verwaarloosden. Overigens werd de strijd tusschen den heer Lohman en den Minister verder gestreden bij de behandeling van de artt. 7 en 8.

Bij de schriftelijke behandeling werd inlichting gevraagd over < de beteekenis van den term „volkshuisvesting". In verband met de terminologie van buitenlandsche wetten, o.a. van de Engelsche „Housing of the Working Classes Act" werd gevraagd, of met „volkshuisvesting" enkel gedoeld werd op de zaak der arbeiderswoningen, of op die van de woningen der mingegoeden. Opgemerkt werd, dat het hier geen woordenkwestie betrof, maar dat het voor de toepassing der wet, met name voor die van de paragrafen 5, 6, 7 en 8 noodig is, dat de beteekenis dier uitdrukking vaststa. Onteigening zal kunnen plaats hebben een name van veieenigingen of maatschappijen, in het belang van verbetering der „volkshuisvesting" werkzaam en aan hen zullen voorschotten en bijdragen kunnen worden verleend. De vraag werd gesteld, of deze bepalingen ook zullen gelden voor coöperatieve vereenigingen van hoogere ambtenaren, opgericht tot het bouwen van woningen voor de leden der vereeniging, en voorts, of de bouwplannen en de plannen van uitbreiding, bedoeld in het nieuwe artikel 77, 4e lid der Onteigeningswet, enkel arbeiderswoningen of ook andere mogen betreften ? (Verslag V. blz. 7).

De Regeering antwoordde hierop (Verslag M. blz. 7) dat zij vervanging van den term „volkshuisvesting' door een woord van meer beperkte beteekenis niet wenschelijk achtte. Deze uitdiukking behoorde in haar ruimste beteekenis te worden opgevat en moest daarom zoo algemeen mogelijk luiden. Zij staat ten deze op één lijn met den term „volksgezondheid". De Engelsche woning-

Sluiten