Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schadevergoeding aan de belanghebbende eigenaren niet tot haar recht was gekomen, zoodat hij losmaking van dit onderwerp uit het verband der Woningwet en behandeling daarvan bij afzonderlijke wetsvoordracht verlangde.

De Minister van Binnenlandsche Zaken wees er in zijne verdediging op, dat er thans een onzekere rechtstoestand op dit punt aanwezig is, welke ook aanleiding kan geven tot het toebrengen van schade aan particuliere belangen en dat het groote voordeel der voorgedragen regeling is, dat rechtszekerheid zal worden bevorderd. Voor de belangen van particulieren zou worden gewaakt door op het raadsbesluit, een bouwverbod bevattende, de bepaling van artikel 7 toepasselijk te verklaren, terwijl de Minister nog, staande de beraadslaging, de laatste alinea van art. 27 aldus aanvulde: „op deze regeling zijn de bepalingen van art. 7 toepasselijk, met dien verstande, dat ook tegen het verleenen van goedkeuring van Gedeputeerde Staten, binnen een maand door belanghebbenden bij Ons beroep kan worden ingesteld". De Minister wees er verder op, dat in het G. O. de bepaling van het tweede lid van artikel 27 was opgenomen, welke in het O. O. ontbrak, waarin eveneens een waarborg gelegen is tegen benadeeling van particuliere belangen. De Minister erkende, dat, als men § 6 vergeleek met de uitvoerige regelingen dezer materie in Duitsche wetten, de waarschijnlijkheid aanwezig was, dat, als de Woningwet in werking is, weldra aanvulling der bepalingen van § 6 noodig zal worden geacht, maar achtte dit geen voldoend motief, om de bepalingen der artikelen 27 en 28, waarvan de wenschelijkheid en urgentie door alle deskundigen erkend werd, uit het wetsontwerp weg te laten.

Bij de behandeling in de Eerste Kamer opponeerden voornamelijk de heeren Vlielander Hein en van den Biesen tegen de bepaling over het bouwverbod. Laatstgenoemde beriep zich op het arrest van den Hoogen Raad van 6 November 1899 (W. v. h. R. n°. 7358), waarbij verbindende kracht was ontzegd aan eene verordening der gemeente Enschedé, houdende het verbod, om een hek langs openbare straten te plaatsen, tenzij in of achter de rooilijn, die voor de betrokken straat in eene gemeenteverordening was bepaald. Bij dat arrest was uitgemaakt, dat aan een eigenaar van eer stuk grond de bevoegdheid niet kan worden benomen, om het door een hek af te schutten, ook dan, als de rooilijn op de kaart was getrokken achter de plaats, waar het hek werd gezet. De Minister van Binnenlandsche Zaken betoogde nu, dat artikel 27 alleen het bouwen op den grond verbiedt, terwijl de beschikkingsbevoegdheid van den eigenaar over zijn grond blijft bestaan. Het

Sluiten