Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikel gebracht door overneming van een amendement van den heer Wili.inge. Het is logisch, dat, terwijl voor de waardeschatting van het huis bizondere regelen gelden, op den grond de algemeene regel van artikel 92 wordt toegepast. (H. II blz. 1354).

5. Het tweede lid is opgenomen naar aanleiding van een opmerking der Commissie van Voorbereiding, dat zich gevallen voordoen, o. a. bij kelderwoningen, dat slechts een gedeelte van een gebouw onbewoonbaar wordt verklaard. (Verslag M. O. blz. 34.)

Artikel 94.

Indien eene aanschrijving tot het aanbrengen van verbeteringen volgens artikel 14 der Woningwet is gedaan, zonder dat daaraan gevolg is gegeven, wordt vergoed de waarde, die het gebouw zoude hebben in geval zoodanige verbeteringen waren aangebragt, met aftrek van de kosten van verbetering.

Indien het gebouw door een grooter aantal personen wordt bewoond dan volgens plaatselijke verordening geoorloofd is, wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde geene rekening gehouden met de vermeerdering van huurprijs, welke uit die overschrijding voortvloeit.

1. Vergelijk over het beginsel, dat aan het artikel ten grondslag ligt, het algemeen overzicht blz. 53 en 54.

2. Het is duidelijk, dat het geen zin zou hebben, verbeteringen aan een woning voor te schrijven en aan te brengen zeer korten tijd, vóórdat de woning wordt onteigend. Is eene woning niet onbewoonbaar, maar lieeft zij niettemin verbeteringen van noode, welke aanzienlijke uitgaven vorderen, zoo kan, wanneer zeer spoedig onteigening te wachten staat, eene aanschrijving tot verbetering achterwege blijven. Artikel 94 blijft dan buiten toepassing, doch de rechter zal niettemin den onvoldoenden staat der woning in aanmerking nemen. In geval eene woning verbetering behoeft, doch wellicht in later tijd zal worden onteigend, is er geen reden, de aanschrijving achterwege te laten. Voor de bewoners kan het van belang zijn, dat sommige, wellicht weinig kostbare maar doeltreffende, verbeteringen inmiddels nog worden aangebracht. Geschiedt dit, dan vindt later bij onteigening de eigenaar in de hoogei'e waarde, waarop de woning wordt geschat, zijne onkosten gedekt. (Verslag M. blz. 34).

Sluiten