Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEMORIE VAN TOELICHTING.

In de Memorie van Toelichting betreffende het gelijktijdig hiermede ingediende ontwerp van wet tot verlenging en wijziging van bet aan de Nederlandsche Bank verleende octrooi is uiteengezet, waarom intrekking van de muntbiljetten wordt voorgesteld. Deze maatregel maakt met de voorgedragen Bankwet één geheel uit.

Art. 1 spreekt het beginsel der afschaffing van bet muntpapier uit.

De muntbiljetten zijn uitgegeven krachtens de wetten van 18 December 1845 (Staatsblad n". 90), van 17 September 1849 (Staatsblad n°. 46), van 26 April 1852 (Staatsblad n'J. 90) en van 27 April 1884 (Staatsblad n°. 98). De krachtens de eerste twee wetten in omloop gebrachte biljetten zijn overeenkomstig het Koninklijk besluit van 26 December 1863 (Staatsblad n°. 200) op den lsten Januari 1874 waardeloos geworden. Bij de wet van 1884 is die van 1852 buiten werking gesteld. Echter zijn de biljetten, waarvan de uitgifte gegrond was op laatstgenoemde wet ook na 1884 geldig gebleven. Men vergelijke art. 7, j". art. 2, 2de en 3de lid der wet van 1884. Om die reden is het noodig ook de muntbiljetten, uitgegeven krachtens de wet van 1852, in het 2de lid van art. 1 op te nemen.

Art. 2. Daar het hier geldt door den Staat uitgegeven papier, is de gelegenheid tot inwisseling in de eerste plaats opengesteld bij de Rijksbetaalmeesters.

Het is echter mogelijk, dat voornamelijk in den aanvang, wanneer de muntbiljetten in grooten getale zullen binnenkomen, de kassen der betaalmeesters niet steeds in voldoende mate zullen voorzien zijn om aan alle aanvragen te voldoen. Derhalve is in het 2de lid de bevoegdheid voorbehouden, bij Koninklijk besluit regelen te stellen ten aanzien van de verwisseling bij de betaalmeesterskantoren. Het ligt in de bedoeling een nader te bepalen bedrag als grens vast te stellen, waarboven de verwisseling slechts zal kunnen geëischt worden, indien een zeker aantal dagen te voren eene kennisgeving aan den betrokken betaalmeester is gericht.

Voorts is, in aansluiting aan het bepaalde bij artikel 8 van het meergenoemd ontwerp Bankwet, de medewerking van de Nederlandsche Bank bij de intrekking voorgeschreven. Zoowel bij hoofd- en bijbank, als bij agentschappen en correspondentschappen der eerste klasse zal de verwisseling kunnen geschieden. Voor de agent- en correspondentschappen moet echter de

Sluiten