Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°. In art. 1 der bankwet van 1863 werd de mogelijkheid opengelaten om aan meerdere bankinstellingen het recht te geven als circulatiebank op te treden en, toen in 1888 aan den Staat een aandeel in de winst der Bank werd toegekend, is bepaald, dat dit aandeel zou vervallen, wanneer aan een ander dan de Nederlandsche Bank mocht worden toegestaan bankbiljetten uit te geven. In den loop der jaren is evenwel de wenschelijkheid van bankeenheid ten onzent zoo algemeen erkend, dat niemand er meer aan denkt aan meer dan ééne instelling het recht tot uitgifte van bankbiljetten te verleenen. Sommige leden meenden, dat het beginsel van eenheid van papiercirculatie thans in de wet behoort te worden uitgedrukt, waartoe noodig zou zyn de redactie van art. 1 der wet van 1863 te wijzigen en uit het wetsontwerp te doen vervallen de bepaling, voorkomende in art. 7, § 2, onder 1°.

Tevens wenschten deze leden de eigenlijke taak van een centrale circulatiebank in de wet beter te doen uitkomen. Art. 7 der wet van 1863, gelijk het in 1888 gewijzigd werd, noemt wel op de middelen, waardoor de bank die taak heeft te vervullen, maar omschrijft hare taak zelve niet. Men herinnerde aan § 12 der Duitsche bankwet van 14 Maart 1875, waarin als doel van de Duitsche Rijksbank wordt aangegeven den geldsomloop in het Rijk te regelen, de betalingsvereffening te bevorderen en te zorgen voor het productief maken van beschikbare kapitalen.

4°. Van verschillende zijden werd ingestemd met de blijkens § 1 van dit verslag door voorstanders eener Staatsbank geuite grief, dat de Nederlandsche Bank niet genoeg doet voor de ontwikkeling van het giroverkeer.

Wel is waar is de gelegenheid tot het openen van rekeningcourant sedert 1881 allengs aanmerkelijk uitgebreid en is eene uitbreiding, als bij de onder geheel andere bepalingen werkende Duitsche Rijksbank verkregen werd, ten onzent niet te verwachten, maar toch zou verdere uitbreiding van het giroverkeer naar veler oordeel zeer wel mogelijk zijn en de belangen van handel en nijverheid zouden daardoor worden gebaat. Gevraagd werd, of de meening juist is, dat de bank zich opzettelijk van bevordering van het giroverkeer onthoudt ten einde aan groote financieele instellingen o.a. te Amsterdam geene te scherpe concurrentie aan te doen. Sommigen meenden, dat ook voor haar uitbreiding van relaties wenschelijk is, voor het geval dat haar octrooi te eeniger tijd niet mocht worden verlengd en zij dan als particuliere bank zou willen blijven werken. In elk geval is die uitbreiding gewenscht in het algemeen belang. Men verlangde, dat de bank het aantal correspondentschappen zou uitbreiden. Wellicht ware haar bij de wet de verplichting op te leggen

Sluiten