Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

biljetten-uitgifte ongebruikt zou worden gelaten. Er bestaat geen aanleiding op dit oogenblik naar waarborgen tegen die eventualiteit te zoeken. Deze zouden trouwens allerminst gemakkelijk te vinden zijn. Immers men zou niet kunnen volstaan met in het algemeen aan de Bank voor te schrijven, dat zij voor den duur van haar octrooi de functiën van eene circulatiebank inderdaad zou hebben uit te oefenen. Een dergelijk voorschrift ware illusoir, indien niet tevens een aantal bindende bepalingen werden opgenomen ten aanzien van den omvang en de wijze van werkzaamheid. Of echter eene bruikbare regeling in dien geest ware te ontwerpen, is aan ernstigen twijfel onderhevig.

De ondergeteekende kan niet toegeven, dat uit de voorgedragen bepaling niet duidelijk zou blijken, op welk tijdstip de Staat en de Bank het recht zullen hebben, het octrooi op te zeggen. Het 2de lid is geheel algemeen; de opzegging kan dus ook vóór het verstrijken van het löjarig tydperk geschieden. Het octrooi zal den lsten April 1919 eindigen, indien het vóór of op den 31 sten Maart 1917 is opgezegd.

Met de leden, die zich hieromtrent uitspraken, is de ondergeteekende, van oordeel dat de regeling van de opzegging niet afhankelijk behoeft te zijn van hetgeen in het algemeen ten aanzien van de benoeming van den president-directeur en den secretaris-directeur is bepaald. Is door het eindigen van het octrooi de band tusschen den Staat en de Bank verbroken, dan verkrijgt de Bank op gelijken voet als andere naamlooze vennootschappen de vrijheid, in hare statuten de aftreding en benoeming van hare directie te regelen gelijk haar wenschelijk zal voorkomen.

Art. 2. De noodzakelijkheid om in dit artikel de Rijksverzekeringsbank uitdrukkelijk te noemen kan niet worden ingezien.

Art. "1. De opmerking van de leden die bezwaar maakten tegen de redactie van dit artikel, stelt de noodzakelijkheid in het licht, den aard van het hier bedongen renteloos voorschot nader te verduidelijken.

Het is niet de bedoeling, dat de Bank bij het in werking treden van de nieuwe wet een kapitaal van f 15 000 000 zal uitkeeren, op terugbetaling waarvan zij eerst na het eindigen van haar octrooi recht zal hebben. Hier wordt slechts aan den Minister van Financiën de bevoegdheid gegeven, indien en voorzoover de toestand der schatkist dit zal vereischen, tot een maximum van /15 000 000 renteloos gelden bij da Bank op te nemen. Het verschil is niet zonder beteekenis. Werden de woorden „telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist noodig acht" geschrapt, dan zou de Minister, onverschillig of er al

Sluiten