Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landsche portefeuille met het beschikbaar metaalsaldo wordt gelijkgesteld.

Met het oog hierop werd gevraagd, of het niet mogelijk zou zijn alsnog eene verklaring van de zijde der Nederlandsche Bank te verkrijgen, dat zij in een geval als hierboven ondersteld, om zoolang mogelijk te voorkomen, dat het beschikbaar met aalsaldo beneden de tien millioen gulden daalt, tengevolge waarvan het renteloos voorschot moet worden ingekrompen, voor zooveel noodig haar buitenlandsche portefeuille zal reduceeren.

Eene bepaling in den geest van het amendement door het lid der Tweede Kamer Bos voorgesteld, waardoor het volle bedrag van vijftien millioen als voortdurend renteloos voorschot aan den Staat zou zijn verzekerd, zou althans aan dit bezwaar te gemoet zijn gekomen.

Artikel 7. Enkele leden waren van oordeel, dat de Staat zich niet had te bemoeien met de tantièmes der commissarisen; dit had aan de aandeelhouders moeten zijn overgelaten. Hiertegenover werd evenwel opgemerkt, dat de Staat zijn aandeel in de tantièmes betaalt, omdat hij in de winsten deelt, en dat hij dus recht heeft hierin mede te spreken.

Ten slotte werd nog in eene der afdeelingen de vraag geopperd, waarom de aandeelhouders der Bank niet eerst gehoord zijn over het concept-octrooi.

Wetsontwerp tot intrekking van de Muntbiljetten.

Artikel 1. In verband met de opheffing der muntbiljetten als wettig betaalmiddel hadden enkele leden gaarne gezien, dat aan de Nederlandsche Bank de verplichting ware opgelegd om voor gerechtelijk aanbod van betaling en daarop volgende consignatie benoodigde bedragen in goud te verschaffen. Hiertegenover werd opgemerkt, dat het bezwaar kan worden ondervangen door daarvoor bankbiljetten toe te laten. Men vertrouwde, dat de Regeering zich zal beijveren om van hare zijde het noodige in het werk te stellen, dat vóór 1 October 1904 in de behoefte van papier als wettig betaalmiddel kan zijn voorzien.

Artikel 2. Hoewel in zekeren zin te beschouwen als eene uitwerking van het beginsel in art. 2 der wet van 27 April 1S84. (Staatsblad n°. 98) neergelegd, hadden toch verschillende leden

Sluiten