Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de onderstelling, dat de Bank nog in het bezit zou zijn van eene buitenlandsche portefeuille op een oogenblik, waarop het beschikbaar metaalsaldo beneden f 10 000 000 daalt, bestaat geen grond. Zoodra de wisselkoersen op het buitenland het goudpunt naderen of wel het beschikbaar metaalsaldo sterk slinkt, neemt de Bank steeds in de eerste plaats haar toevlucht tot het reduceeren van hare buitenlandsche portefeuille. De bevoegdheid bij art. 7 sub 5, van het Octrooi gegeven, bewijst in dit opzicht uitstekende diensten. Dat de Bank met deze tradirioneele politiek zou breken en haar buitenlandsch papier in handen zou houden met het oogmerk, ontslagen te worden van hare verplichting tot het verstrekken van rentelooze voorschotten aan het Rijk, komt in die mate onwaarschijnlijk voor, dat het uitlokken van eene verklaring der directie ten aanzien van dit punt geheel overbodig is te achten.

Art. 7. In de Memorie van Toelichting werd uiteengezet, waarom het den ondergeteekende wenschelijk voorkwam, de tantièmes der directie in de wet te regelen. Van de zijde der directie werd er op aangedrongen, dat hetzelfde zou geschieden ten aanzien van de tantièmes der commissarissen. De ondergeteekende had hiertegen geen bezwaar. In het Voorloopig Verslag wordt trouwens een goede grond voor het opnemen van deze bepaling aangegeven.

Het hooren van de aandeelhouders over het concept-octrooi valt geheel buiten de bemoeiing der Regeering. Het ligt in den aard der zaak, dat directie en commissarissen het bezwaarlijk achtten, de aandeelhoudersvergadering te raadplegen over een ontwerp van wet, dat bij de behandeling in de Staten-Generaal nog ingrijpende wijziging zou kunnen ondergaan.

Wetsontwerp tot intrekking van de Muntbiljetten.

Art. 1. Bij den Raad van State is in onderzoek een wetsontwerp tot toekenning van de bevoegdheid van wettig betaalmiddel aan de biljetten der Nederlandsche Bank. Het zou geen zin hebben, daarnevens aan de Bank de verplichting op te leggen voor gerechtelijk aanbod van betaling en daarop volgende consignatie goud beschikbaar te stellen.

Art. 2. Werd niet bepaald, dat de vorderingen, ontleend aan muntbiljetten, welke niet vóór een bepaalden datum zijn ingeleverd. vervallen, dan zouden waarschijnlijk een aantal muntbiljetten nog langen tijd in omloop blijven. Deze zouden allengs in zeer onoogelijken toestand geraken, waardoor het gevaar voor

Sluiten