Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

351. Dagvaarding. — Bid en en Shiel vs. G ra ham en Clarke. O. R. 1894. II. 19.

De dagvaarding tot faillietverklaring moet door een advocaat en den griffier van het Hof onderteekend worden.

352. Bevoegdheid tot dagvaarding. — Roussouw en Celliers vs. Stonestreet. O. R. 1894. III. 59.

Twee crediteuren, wier gezamenlijke hoofdelijke vordering minder dan L 100 beliep, gerechtigd verklaard tot dagvaarding tot faillietverklaring.

353. Eigen aangifte. — Hu go e. a. vs. P. G. Straus. O. R. 1895. 36.

Beslissing over faillietverklaring op eigen aangifte.

c. Handelingen van insolvent voor en na faillietverklaring.

354. Schenking. — D'Arcy n. o. vs. Farrel and Jocks.

II. K. 11. 1881. (Holl. uitg. 13).

Nietigheid van schenking uitgesproken op grond van art. 83 van Wet 21 van 1SS0.

355. Rechtsvordering. — Van der Veen vs. 1'ranken.

III. K. 76. 1886.

Volgens artt. 24 en 49 der Insolventie wet is de insolvent niet bevoegd tot dagvaarden wegens beleediging.

35B. Verzet tegen erkenning.— Hollard vs. The Mas ter.

III. K. 180. 1887.

Zonder verlof van den rechter kan de insolvent geen verzet doen tegen erkenning van vorderingen.

357. Contemplatie van insolventie. — Curatoren in den insolvente n boedel van Daly vs. C. Roe her. Z. A. R. Rapp. 1893. 106.

Feitelijke beslissing over contemplatie van insolventie bij een overeenkomst van insolvent.

Sluiten