Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevoorrechting aan de Hollanders gegund l), later door het systeem van uitsluiting door de kooplui van Kopenhagen toegepast.

Het is zeer waarschijnlik dat de meerderheid van de planters op St. Croix niet tot onze natie behoorde; toch werd onze taal, maar tans langs een andere weg en in zeer verminkte vorm, naar 't nieuwe eiland overgebracht. Er had zich namelik uit de omgang der planters van St. Thomas met hun slaven een Kreools idioom gevormd, dat op de drie Deense eilanden gedurende lange tijd de omgangstaal der inheemse bevolking, en twee eeuwen lang de laai der slaven is geweest. Vooral door de slaven verbreidde zich dit Kreools ook over St. Croix.

Ongetwijfeld dateert het ontstaan van die slaventaal uit de allereerste jaren van de Deense kolonisatie — misschien bestond ze reeds vóór de Denen zich op de Antillen vestigden — maar een volstrekt bewijs voor het bestaan van dit Negerhollands hebben wij eerst uit het jaar 1732. Toen kwamen op het eiland de eerste zendelingen van de Moraviese broederschap of Herrnhuttergemeente aan, en zij begonnen dadelik liet „Bastaardhollands" der slaven te leren, oni de negers in hun eigen taal met het Kristendom bekend te maken 2). Vermoedelik

') Knox, blz. 82 vlg.; bij baalt als gevolg van die bevoorrechting aan dat in 1736 er 8 Hollandse tegen 1 Deens schip in de baai van St. Thomas voor anker kwamen.

Het praatje dat men o. a. nog bij Reclus (Nowv. Géogr. ill- XVII, blz. 804) vindt, als zouden de eerste zendelingen zich vrijwillig als slaven hebben verkocht om op die wijze toegang te verkrijgen tot de negers, wordt reeds weersproken door Oldendorp (blz. 453). Het is waar dat de twee eenvoudige handwerkslieden die zich door de verhalen van een uit St. Thomas afkomstige neger gedrongen gevoelden het Evangelie aan de zwarten te verkondigen, bereid waren hun vrijheid op te offeren, maar op weg naar West-lndië werd hun reeds in Kopenhagen beduid dat men nooit blanken als slaven zou dulden. Door hun handwerk voorzagen de eerste missionarissen in hun uiterst geringe behoeften (zie Von Dewitz, blz. 118 vlg., 124). Onbillik is ook dat Reclus aan de Herrnhutters verwijt dat zij „in later tijd" zelf slaven hielden: ze deden dit reeds in 1758 (zie Von Dewitz, blz. 192), maar op een wijze en onder omstandigheden die hun handelingen volkomen begrijpelik maken.

De Deense gouverneurs waren de Herrnhutters goed gezind; daarentegen ondervonden dezen van sommige predikanten der Hollandse gemeente grote vijandschap. Oldendorp, die dankbaar alle steun vermeldt, spreekt slechts ter loops en in vage termen van de mensen die de zendelingen

Sluiten