Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat u betreft, hooggeachte ambtgenoot Mallinckrodt, uw Vader en mijn Vader — eere zij hun nagedachtenis! — waren indertijd als vrijwillige -Jagers van de Utrechtsche Hoogeschool door een schoon enthousiasme aan elkander verbonden, 't Moge een goed voorteeken zijn voor onze samenwerking! Al spreken wij in godsdienstige en theologische overtuiging niet hetzelfde dialect, dit zal ons niet verhinderen elkander te verstaan en goed te verstaan ook. Ik durf mijn eigen hart, ondanks al zijn arglistigheid, wel haast beloven, dat het mij niet moeilijk zal vallen u altoos uitnemender te achten dan mijzelven. Wil mij, bid ik u, den steun en de voorlichting, die ik in allerlei opzicht van u zoo dringend noodig zal hebben, niet onthouden. Wij, kerkelijke hoogleeraren, hebben het beste deel van de opleiding der studenten. Dat zouden we zelf bijna niet durven zeggen. Maar als 't ons door een bij uitstek tot oordeelen bevoegde') wordt verzekerd, dan mogen wij 't ons toch wel voor gezegd houden ook, tot onze verootmoediging en bemoediging beide. Met u breng ik een zegenenden groet aan mijn voorganger, professor Kruyf, die als trouw dienaar van kerk en wetenschap zoo verdienstelijk zijn taak heeft vervuld. Ik ben er van verzekerd, dat velen van zijn vroegere en latere leerlingen in den geest zich hierbij aansluiten, dankbaar voor wat zij van zijn onderwijs en omgang hebben genoten. God schenke hem een schoonen levensavond! En aan mij al wat ik noodig heb om een niet al te onwaardig opvolger van hem bevonden te worden!

Als ik u aanzie, Heeren Predikanten, hier tegenwoordig, dan wordt het mij zoo wonderlijk te moede. Ik ben in den

*) Prof. Dr. P. D. Chantepie de la Saussaye. De taak der Theologie. Rede bij de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt in de Faculteit der (iodgeleerdheid aan de Rijks-Universiteit te Leiden (bl. '29).

Sluiten