Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7.aken korden zijn van den armzaligen toestand dier boomen, welke de oorzaken konden zijn van den vroegtudigen bladval, de bleeke kleur der bladeren en den verminderden «roei van blad en Mam.

Natuurlijk lag de veronderstelling in de eerste plaats voor de hand, dat het gras een deel van de voedingsstoffen, door de bemesting aan de boomen geleverd, mêe zou gebruiken en derhalve aan de boomen zou onttrekken.

Intusscher. moet daarbij worden opgemerkt, dat het maaisel op den grond bleef liggen, dus althans voor een deel weer aan den grond ten goede kwam. De mogelijkheid mag echter niet ontkend worden, dat een deel der stikstof uit rottend gras verkregen, onbenut in de lucht gaat als ammoniak en dus voor de plant en den grond tijdelijk verloren is.

Twee andere factoren kunnen echter ook op de slechte resultaten, verkregen door gras-struikvormen en onkruid-struikvormen — alsmede door gras-kroonboomen en onkruid-kroouboomen — eenen grooten invloed uitoefenen, althans het is noodzakelijk dat wij die factoren even van nabij beschouwen om uit te maken öf zij invloed kunnen uitgeoefend hebben.

Zij zijn : lo het verbarden, althans niet open zijn van den grond, tengevolge van het niet schoffelen en 2o de meerdere verdamping van den grond, dus het waterverlies, aangezien zoowel onkruid als gras meer water verdampen dan de grond.

Dat het verharden van den grond invloed heeft op den boom bleek den proefnemers uit de bladgrootte der boomen van een perceel, waarvan de grond geheel verhard was en dus niet openstond voor de lucht. Het blad bleef 17% achter in grootte bij de in den open grond geplaatste boomen, bij overigens gelijke bemesting eu behandeling.

Het hard- en niet openzijn van den grond heeft dus invloed op den groei.

Onderzoekingen van het jaar 1881 van Greaves hebben voorts aan het licht gebracht, dat zonder eenigen twijfel zandgronden met graszoden bedekt ruim 4 maal zooveel water uitwasemen als een gewone grond, die open wordt gehouden door ploeg, egge of schoffel. Dat het water, hetwelk op die wijze door het gras wordt uitgewasemd, aan den ondergrond wordt onttrokken en derhalve de mogelijkheid niet kan ontkend worden, dat spoediger watergebrek van deu ondergrond in droge jareu 't gevolg kan zijn, zal wel een ieder kunnen begrijpen.

W aar de proefnemers om hunne boomen grootere of kleinere grasvlakten hadden, bleef de mogelijkheid bestaan, dat, wanneer wortels aan den verderfelijken invloed van de gras- of onkruidvlakte waren ontkomen, en dus in hunnen verderen groei deze vlakten niet meer boven zich hadden, zij zich zouden herstellen en de boomen door hun uiterlijk zouden aantoonen, dat de magere jaren voorbij waren.

Op die mogelijkheid werd door de proefnemers reeds in hun eerste verslag gewezen en in het vooruitzicht gesteld in dit opzicht nadere gegevens te verzamelen.

^ In hun tweede verslag (1900) geven de proefnemers nog meer belangrijke cijfers tot staving van hunne meening.

In den loop van hunnen arbeid waren de onderzoekers in de gelegenheid het gewicht te vergelijken van een aantal struikvormen welke, ten dienste van hunne proefnemingen in 't begin geplant waren in den open grond eu voorts op dezelfde wijze behandeld als een aantal gras-struikvormen.

Wat bleek? Dat bij de gewone behandeling in den open grond de struikvoriueii in 4 jaren 10—13 maal in gewielit waren toegenomen, docli de (fras-struikvorineii slechts etne tweevoudige vermeerdering hadden aan tv wijzen.

Sluiten