Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weer loopt hij voort: daar ontwaart hij een lang, laag geitouw; hé,'t is of hij dat huis al vroeger heeft gezien; hij is meer hier geweest: enkele stappen en hij staat er voor; hoven de deur een groot blinkend stuk metaal in den vorm van een hamer.

Oh, nu weet hij het. 't is de herherg „de gouden hamer'" waar hij aan dien Teut zijn ringen heeft verkocht.

Hij is dus in Heerlerheide en die lichten daarvoor hem is Heerlen, maar dan is daar vlak hij de molen, waar hij 't meel heeft gekocht: daar staan zakken vol. tot scheurens toe vol en hij hem geen kruimel, geen stofje meer.

„Nondediu!" en zijn vuist trilt in de lucht.

Hij moet van dat meel hebben: de molenaar moet het hem geven, als hij hem belooft 't later te zullen betalen en dat zal hij ook doen, die belofte zal hij nakomen, zoo gauw als hij werk heeft, maar— als de mulder nu toch eens weigerde... neen, dat kan niet. dat. is onmogelijk; hij mag zijn arme vrouw, zijn kind niet van honger laten omkomen, want dan zou hij geen Christen, geen mensch zijn.

Snel, met groote stappen, ijlt hij voort, doorklievend den om hem gierenden wind, naar den molen, waar voeding, waar leven is voor de zijnen.

Eindelijk staat hij voor de deur; hard laat hij den klopper vallen op de ijzeren plaat; hij wacht lang, heel lang: hij plakt zijn oor tegen de deur; 't blijft alles stil. doodsch daarbinnen; niets anders dan 'tgeloei van den orkaan om hem heen.

Een tweede harder kloppen; nog geen geritsel, geen

■«

Sluiten