Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ker, krijschender, en ze kan hem niets geven ; "t moet dus doodgaan, en weer legt ze hem neer in de warme deken, in den wollen doek; ze ontdoet zich nog van den nieuwen tirteien rok — 't laatste geschenk van liareil Nol _ rolt dezen op en legt hem onder 't hoofdje

van haar jongen.

l )e ooren dichtstoppend met hare vingers om zijn hongerschreeuwen niet meer te hooren, ijlt ze weg, zoo snel als haar voeten haar nog kunnen dragen, recht uit, recht uit in de richting van het land van Luik.

Een verontwaardigde toorn, een beleedigend, verachtelijk voelen tegenover de ontaarde ouders, als s morgens, heel vroeg nog, een meid van den drossaard van Eerenstein, gewekt door het akelig, huilend geschreeuw voor de deur, 't kleine wicht vindt en tegelijkertijd een innig medelijden met het ongelukkig,

hulpeloos schepseltje.

Wie, wie kunnen die ellendelingen, die onmenschen zijn, is'natuurlijk hun eerste vraag, hun eerste denken, doch als een weinig later boeren vol angst ige, hijgeloovige vrees komen vertellen, dat de lijken .Ier ter dood gebrachte Bokkenrijders van de galg zijn verdwenen, dat ze in een kuil zijn gevonden, komt er op in hun geest een vermoeden, dat ze niet durven uiten. Zeker een kind van een van die ellendelingen, van een van die Godloochenaars, door hun vrienden of bondgenooten, bij den drossaard gebracht, uit wraak over het door de schepenbank gevelde en door hem uitgesproken vonnis, en tegelijkertijd een weerzin, een afkeer

Sluiten