Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ter zijde van den weg, niet ver verwijderd, een breed hooge zwarte massa, te midden van het schemergrijs rondom, een uitgestrekt hosch.

Daarheen richt zij hare schreden, om enkele oogenblikken later het moe loome lichaam neer te vleien op het mos onder een breedgetakten eik.

Den volgenden dag bij het eerste lichtgloren is zij reeds ontwaakt en weer begeeft zij zich op weg, het oog onafgewend van dien toren, dien zij gisteren niet heeft kunnen bereiken.

't Is een mooie zomersche <lag; de vogels, gewekt door den naderenden stap. steken hunne kopjes uit de dik opgekropte borstjes; schuw kijken ze rond met de glinsterende oogjes, dan eenige tladderbewegingen met de vleugels, om een oogenblik later t eerste kort, scherp getjilp te doen liooren; weldra paart zich daarmede het eentonig stootend cricri van den immer onzichtbaren krekel en liet akelig gekras van den kikvorsch, den hreeden kop boven het groene kroos.

Dan van de eerste hoeve in haar nabijheid het luid blaffen van een hond, het langgerekt kraaien van den haan. Langzaam hooger en hooger verrijst de zon als een glinsterende metalen hal aan het firmament en kleurt met hare gouden stralen het groene looverder hoornen en de zwaar nederhangende aren der reeds hoog opgeschoten korenaren.

Ze hoort, ze ziet dat alles niet; ze ziet slechts dien kerktoren van 't dorpje, waar haar kind leett.

Ze nadert 1111 meer en meer; nog anderhalf uur, misschien een uur maar, als zij hard loopt en . . . dan . . . dan . . . een juichkreet ontsnapt haar horst, terwijl

Sluiten