Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dan inoet .je ook niet wegloopen; ik zal je heusch geen kwaad doen, mijn jongen; geef mij maar een handje."'

vZal je me dan weer niet pakken en /oenen, zooals gisteren ?"

Die vraag, haar door haar kind gedaan, doet vreeselijk pijn; ze voelt opkomen de tranen in haar keel: ze bedwingt zich echter en dan goedig: „neen, ik zal je

niet zoenen, ik heloot' het je.

De knaap steekt haar zijn vingers toe over de haag. „Dank je" en ze drukt dat handje vast. innig. Don volgenden dag brengt zij hem een krans van boschbloemen. door haar zelve gevlochten en ze raakt weer aan die kleine hand en den daarop volgenden morgen reikt zij hem over een wagentje door haar zelve van beetwortelen gemaakt en ze waagt het ditmaal weer te drukken een kus op die kleine vingers en zoo wordt eiken dag de vriendschap tusschen dat jongske en die vrouw hechter, inniger. Hij komt weer buiten de barrière: hij holt naar haar toe. wanneei bij haar nog in de verte ontwaart en hij verzet zich niet meer tegen haar kussen en omhelzingen.

De stroopers en loerjagers zijn niet tevreden over haar waakzaamheid; de gegeven teekens zijn menigmaal verkeerd geweest; 't is dikwerf gebeurd, dat zij de veldwachters in hun onmiddellijke nabijheid ontwaarden, terwijl zij hen ver verwijderd waanden. Ze hebben haar met verwijtingen overladen: ze hebben haar weg willen jagen, maar toen heeft ze huilend ge-

Sluiten