Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gade van den rechter en de vrouw van den ter dood gel trachten Bokkenrijder.

„ Kom. Mevrouw, laat ons sterk zijn, t moet, t moet. God heeft zeker gewild, dat ik zijn moeder niet zijn mag, dat ik voor hem eeue vreemde, eene onbekende moet blijven en Zijn wil is goed, al is deze ook ondoorgrondelijk, heb ik den pastoor dikwijls hooren sermoenien," en vrouw Poyck veegt weg hare tranen.

„Je kunt niet weg, ,je hebt geen kleeren, hervat Mevrouw van Eerenstein, „en je zult zeker toch niet willen terugkeeren naar die hut in het boscli!

„Neen, neen."

„Hoe wil je dan weggaan !"

„Mevrouw, ik heb nog nooit iets gevraagd, aan niemand ter wereld; ik hei) nog nooit gebedeld, daar ben ik altijd te trotsch voor geweest, doch tegenover u wil ik mij wel vernederen; 11 zult 111e wel een beetje kleeren willen geven in ruil voor m'n kind.

Langzaam, grauw schemerend valt de avond.

Vrouw Poyck is weer alleen, de nieuwe kleeren achteloos, slordig om 't lijf.

Boven haar 't gestommel van vlugge stappen heen en weer, plotseling ophoudend; daarna een zachte bons, een murmelend geprevel, enkele klappende zoenen en toen alles stil.

Zoo ongeveer een half uur.

Eensklaps weer een sleepend geschuifel, een deur, die zacht, behoedzaam geopend wordt; een geruisch O]» de trappen.

Sluiten