Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral niet te druk mogen zijn, dat ze Marietje volstrekt niet mogen vermoeien.

Stijf', gedwongen, zonder gloed schijnen haar dan ook toe de opgedreunde gelukwenschen; koel lijkt haarde kus, dien ze op haar lippen drukken.

De kleine Wies met nog roode, verhitte wangen aan het spelen, kijkt haar aan met wijd opengespalkte oogen. Zij heeft niet de armpjes naar haar uitgestoken zooals vóór haar ziekte; zij is niet met lachend gejuich naar haar toe komen huppelen, zooals vroeger; ze is 't kleine kind vreemd geworden gedurende de enkele maanden van 't elkander verwijderd zijn.

„Kent Wiesje zus Marie niet meer!" vraagt de moeder, terwijl zij zich hurkend neerzet hij haar jongste dochtertje.

„ Jawel moe," stamelt zij zachtkens.

, En is Wiesje niet erg blij, dat zus nu weer beter is?1'

„Jawel moe," met dezelfde toonlooze stem.

„Geef zus dan eens een dikken zoen."

Ze steekt de lipjes vooruit en drukt ze tegen de haar toegestoken wang.

„Nu zullen we weer gauw samen spelen, niet waar, Wiesje ?" waagt Marie te vragen.

„Ja .... krijgertje .... in den tuin."

Dat in kinderlijk onschuld gegeven antwoord is de genadeslag; 't heeft haar het laatste hopen ontnomen.

Ze voelt weer de tranen in de keel, maar ze wil niet huilen; ze wil sterk zijn; haar zwak-zijn zou leed doen aan vader en moeder, die zoo innig, innig lief voor haar geweest zijn.

Sluiten