Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een enkele maal heeft de kleine in naïve onschuld de bloemencirkel haar op 't hoofd gezet en ze heeft in de handjes geklapt en niet kleine gillachjes geschreeuwd : „wat hen je mooi, zus, wat ben je mooi!" Ze heeft haar lieveling toen in de armen genomen en met hartstochtelijke kussen bedekt 't gezicht van het wicht, van het eenig haar hekend wezen, dat nog niet haar mismaaktheid kent.

Zij is blijde, vroolijk dien dag geweest.

Helaas, ook die vreugde zal haar spoedig ontnomen worden.

Eens, bij eene hartelijke omhelzing, waarbij de dartele kleine weer haar armpjes strengelt om den kort ineengedrongen nek, valt haar handje op de puntige ophooging van haar rug.

„ Hè, zus. wa's dat," vraagt ze met kinderlijke verwondering.

Marie zet haar tanden op de ingetrokken onderlip, omdat ze geen uiting wil geven aan haar droef-zijn, aan lxaar smart.

„Wat is dat, zus," herhaalt «le kleine, weer drukken» 1 't handje tegen haar mismaaktheid.

„Dat is m'n .... m'n bult, Wiesje," stamelt ze eindelijk.

„Bult.... bult .... wat is dat?"

„'n Hult.... is iets heel leelijks, iets erg ongelukkigs."

„Ben je dan leelijk en ongelukkig1?"

Ze kan niet meer, zij staat op; 't onschuldig wezentje, dat onbewust haar zoo'n pijn heeft gedaan, zachtjes neerzettend op den grond, om dan ijlings te

Sluiten