Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ Wils te ouch nog e glaas beer, .1 oep, vraagt er een.

„Nè Jeang, danke, icli moot nog wiejei-; ich zouw

alliech te veul könne kriege."

In de andere aangrenzende herbergen hetzelfde too-

neel.

En zoo geen jaar- of weekmarkten, die Joep niet met zijn tegenwoordigheid vereert, geen schietpartijen naaiden vogel, waar men hem niet met zijn onafscheidelijke viool ontwaart, geen concours tusschen zang-, fanfare of harmoniegezelschappen, waar hij niet hij is en tevens zijn oordeel doet gelden, geen optocht der plattelandschutterij, die hij niet door zijn bijzijn opluistert.

Overal speelt hij, overal zingt hij en overal verzamelt hij geld. In stille tijden dwaalt hij van dorp tot dorp, met zijn treurige liederen vermakend de knechten en meiden der talrijke pachthoeven of .le dienstboden en kinderen der enkele villa's en kasteelen.

Zoo heb ik hem menigmaal gezien en gehoord in het uitgestrekt park van ons buiten te ^leisel.

Er heerschte steeds eene bizondere opgewektheid, eene buitengewone vroolijkheid in de stallen en in de keuken als een der bedienden den rondtrekkenden troubadour voor de groote barrière ontwaarde.

Zij wisten, dat het beleefd verzoek tot mijne moeder gericht „of Joep weer onder den noteboom een beetje mocht komen spelen," steeds welwillend werd toegestaan. En spoedig waren, behalve onze bedienden, ook de werklieden van de looierij, Frans Jacquemin, de oud-gediende van Napoleon met zijne bejaarde vrouw, die naast ons woonden, de tuinman Volders en zijn zoon op ons erf vereend.

Sluiten