Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor haar, voor haar kind; ik voelde mij zeiven verplicht haar te vergelden, wat eenmaal mijnheer de Bertheuil hacl gedaan voor mijn vader, mijne moeder — helaas, ook al lang dood — en voor mij.

En dat kon ik toch niet als ik in de gevangenis zat; 't was maar een jaar, niet lang, maar toch voor haar veel te lang om te leven van het weinige geld, dat ik aan den pastoor had gegeven.

Ik heb toen getracht eene plaatsing te vinden als tuinman op de verschillende villa's en kasteelen, maar niemand wilde mij hebben, een vreemdeling, een man, die zelfs de volkstaal niet machtig was, die geen antwoord kon geven, die zelfs bloosde, als men liem vroeg, waarom hij niet terugkeerde naar zijn eigen land.

Zoo dwaahte ik rond van dorp tot dorp, overal zoekend geld voor haar, een stuk brood voor me zeiven te verdienen.

Eens op een Zondagavond, ik had honger, geen cent meer in mijn bezit; ik wist niet waar ik dien nacht het hoofd zou neerleggen; ik was de wanhoop nabij.

Werktuigelijk schreed ik voort over een eenzamen weg, mijn viool onder den arm.

Op eens voor een breede poort van een groote hoeve, een aantal stemmen van in hunne Zondagsche kleedij gedoste boeren en boerinnen, die mij toeriepen: „hé speulman, speul oos ins get."

Ik begreep hen niet; ik verstond op dat oogenblik nog niet het Limburgsch dialect.

„Que voulez vous?" vroeg ik verwonderd.

„Ah, 't is ene Franzoos," riep er een, en een ander liet er terstond opvolgen: „jouer" „musique" en hij

Sluiten