Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verder hadden wij daardoor te verstaan een successie of opvolging van Profeten in de plaats van Israëls grooten Wetgever. Aben Esra zegt uitdrukkelijk: yunrv rir „Dit is Jozua" en als bewijs haalt hij aan, dat hier in vers 15 geschreven staat: „Naar hem zult gij hooren" en van Jozua gezegd is: „zoo hoorden de kinderen Israëls naar hem." tO ""6 I"D~l2n rW) Dnm (Deuteronomium 34 vers 9.)

Maar, hoewel van Jozua gezegd is, (ibid.) „dat hij was vol van den Geest der wijsheid, want Mozes had zijne handen op hem gelegd," waar vinden wij een enkele plaats, in geheel de Heilige Schrift, waarin Jozua een Profeet wordt genoemd, of waar is er een Profetie van hem opgeteekend? Hij was een groot Hevelhebber of Veldheer en heeft het werk van Mozes volbracht, wat aangaat de verovering van Kanaan en de verdeeling van het land onder de twaalf stammen.

Dat was het werk, waartoe hij geroepen was.

Anderen dachten aan Jeremia, den Profeet, maar waarom juist aan dezen? Omdat hij het volk bestrafte, is het antwoord der Pesikta; maar dat deden toch alle Profeten Gods.

De meening der meeste hedendaagsche geleerden in Israël laat zich wel het best uitdrukken in de woorden van Dr. Julius Fürst, uit wiens Prachtbijbel (uitg. Leipzig 1874) WÜ het volgende ontleenen:

„De omstandigheid, dat hier collectief maar van éénen Nabi de sprake is, en daarom het enkelvoud is gebezigd, heeft tot eene verkeerde uitlegging aanleiding gegeven, die in het Nieuwe Testament is ingeslopen, (Handelingen III vers 22, en VII vers 35) en van hier is overgegaan in de letterkunde der Kerkvaders en in zeer vele latere Christelijke commentaren. Deze willen namelijk onder den hier aangekondigden Profeet eenen bepaalden, en wel Jezus verstaan. Daarom leggen zij de geheele plaats messiaansch uit."

Het is vooral tegen deze laatste opvatting dat zich

Sluiten