Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een stormachtig bravogeroep, een luidruchtig handenklappen, als de muzikant met langen, krachtigen streek geëindigd heeft.

„En noe jongens 't iërste ruudsje is veur mich, veur de honneur van Eckeldonck" schreeuwt de waard.

„A la bonne heure, vivat de kastelein1' krijschen allen.

„Allo Flipke, help ins mit" en de kleine muzikant klimt at' van zijne verhevenheid om behulpzaam te zijn in het volschenken der glazen.

„Lang leve de broidjeskeuning, lang léve Dorus Ackermans"' galmt de herbergier.

„Lang zal er leve", herhaalt het koor, met uitgestrekten arm hoog boven hunne hoofden opheffend de met schuimend bier gevulde glazen.

Enkele oogenblikken later „en noe e ruudsje veur de societeit, de Heiige Sebastiaan," roept de scliutterkoning en weer met behulp van Flipke een vullen dev glazen, een hoog schetteren en schreeuwen.

„Mordiu, niordiu, zuug ins wè dao kump", plotseling een der feestvierders, terwijl hij met recht vooruitgestoken wijsvinger naar buiten wijst.

„Üe rentmeister van den graof de Liedekerke," enkele stemmen door elkaar en terstond houdt het getier eu gejoel op; onwillekeurig trekken allen hunne kleeren recht en strijken de haren plat.

Enkele oogenblikken later treedt een nog jonge man in het vertrek; de lange jas van fijn, bruin laken, de glinsterende liooge laarzen, de stok met gouden knop in zijn gehandschoende hand bewijzen de voornaamheid van zijn persoon.

4

Sluiten