Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vanaf dit oogenblik geen leven meer voor de arme dorpelingen.

Hun voedsel wordt verorberd door de indringers; hunne vrouwen en dochters beleedigd, zij zeiven mishandeld, wanneer zij zich tegen die beleedigingen durven verzetten.

Geen stap kunnen zij doen, geen voet verzetten zonder begluurd of vervolgd te worden; elk gesprek, elke ontmoeting met de vluchtelingen is schier eene onmogelijkheid geworden en toch worden teekens door hun gegeven, toch zijn dezen in de nabijheid; verschillende keeren heeft men in de bosschen gezien hoogvlammende vuren, terwijl de grond en het hout nat waren onder den neergevallen sneeuw; schoten zijn gehoord aan de overzijde van de Maas; op zekeren dag heeft men het lijk van den Teut, den ronselaar, gevonden op den grooten weg, met een op de borst gehecht papier, waarop met groote letters „Judasloon" terwijl eenige dagen later zelfs twee soldaten met messen zijn vermoord in de onmiddelijke nabijheid van de kerk.

Brutaler, wreeder wordt het optreden der Franschen tegen de ongelukkige boeren; het huisraad wordt dikwijls vernietigd enkel en alleen om uiting te geven aan hun verkropte woede; gemeener, lager hun woorden en daden tegenover de jonge vrouwen, barscher het geweld tegen de mannen, liij al deze kwellingen slechts een oude man, een afgeleefde grijsaard, de pastoor, die hen troost en opbeurt, die hen leert hoog te houden het hoofd, te midden dezer beproevingen.

Sluiten