Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te dritt niet meer kunnende in toom houden, springt hij op; liet bovenlijf voorover wil hij zich werpen omlaag; met zijn vuist wil hij verbrijzelen (lat venster, waarachter zij minnekoozen en kussen dat loeder met z'n boel.

Dries houdt hem tegen; hij tilt hem op in z'n gespierde armen; niettegenstaande zijn spartelen en verweren draagt hij hem weg van deze plaats; hij wil niet, dat hij die beiden stooi't; hij wil zijn ontdekking ook anderen wijzen, hij wil ten volle botvieren zijn wraak.

Weer den volgenden dag wacht Leo haar op; hij wil haar, de lage gemeene huichelaarster in 't gezicht slingeren zijn haat en verachting; hij wil haar toekrijschen, dat hij kent haar liederlijkheid, dat hij weet, dat ze een boel is en hij stampt op den grond van boos ongeduld, als zijn vlammende oogen haar nog niet zien.

Als hij haar eindelijk ontwaart loopt hij haar te gemoet met snellen, driftigen tred, de vuisten gebald, de tanden knersend op elkaar geklemd.

„Daag Leio" zegt ze met vriendelijken lach, als ze voor hem staat, terwijl ze hem tevens de hand reikt.

Hij antwoordt niet; hij grijpt niet de hem toegestoken hand; hij blijft staan de armen gekruist, haar slechts aanstarend met van woede flikkerende oogen.

„God Leio, waat höbste?"

„Waat ich höb; durfs doe mich dat nog vraogen?1'

Sluiten