Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Tiën francs" plotseling een stem hoog hoven het kwaadaardig gemor.

Allen kijken in de richting van den bieder.

Bleek, de wangspieren in rimpelende trekken, de neusvleugels trillend, de lippen vast op elkaar geklemd staat Leo Bartels, recht op, het hoofd her omhoog, de armen gekluisd, al die anderen aankijkend niet brutaal uitdagende blikken.

»Tiën francs is geboje," de Meikoning ernstig,

zonder lach, zonder scherts „neemes mië estiën

francs?"

„Ich opponeer" schreeuwt Kwakeleers, „ich opponeer, die Tine Lahaie is neet weerd um te komme in de companie van de andere meitskes van Bornsheini; 't is e boel, dat 's nachs jongens bie heur in hoes liet en dit wit Leio ouch; ich höb et em zeivers getuind."

„Wat höbs te daotege te zekke Leio?"

„Dat Dries Kwakeleers en gemeine leugeneer is."

„Nein t is neet waor; er heet rech, veer höbbe et ouch gezeen" verschillende stemmen.

„En ich zal ze verdeidigen tegen uch allemaol" buldert de ongelukkige, „ich zek uch, dat Tine Lahaie et braafste, iërbaarste meitske is van gans et dorp."

Een spottend hoongelach uit tal van kelen.

„Lacht neet, gemeine, laffe kèls, dat geer zeet; konipt nier op, ich zal ze verdeidige; „tegelijkertijd heeft hij den Hankert uitgetrokken, dezen op den grond geworpen en een van de op tafel liggende stokken gegrepen.

„Allo kom op, doe, canailletuug da's te bös, kom

Sluiten