Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het geheele huis wordt doorzocht, doch niemand gevonden; ook moeder en dochter zijn gevlucht in de grot, hang voor dien verrader, dien Judas, tegenover wien zij thans weerloos zouden zijn.

Een gedeelte der colonne, van een lantaarn voorzien, richt hare schreden naar de spelonk achter het huis; ook hier een nauwkeurig, zorgvuldig zoeken, doch niet denzelfden uitslag.

„Verdomde prieën höbbe zich vas en zeker verborge in d'n berg" grijnst Kwakeleers, woedend bij het niet terstond vervuld zien van zijn wraaklust, maar daar zou hij ze wel weten te vinden en als die deserteur, die sterke kerel uit Eckeldonck dan voor hem stond, gevangen, gekneveld, dan zou hij hem uitlachen, hij zou hem óók in het gezicht spuwen, zooals deze het hem had gedaan bij het Meifeest. Wat kan het hem schelen, wat die anderen over hem zullen denken, of ze hem zullen uitschelden en vervloeken, of de meisjes hem zullen vei'achten, met walgelijken afschuw zullen uitspreken zijn naam; hij zal ze nooit meer terugzien, die lammelingen, die zich allen tegenover hem hebben gesteld om partij te trekken voor dien vreemden indringer; hij zal het hun nu betaald zetten, hij zal zich wreken op hen allemaal.

Met korten armenzwaai wenkt hij de Franschen hem te volgen.

Vlug, met snellen tred, stapt hij voort in de richting van den berg.

De vrouwen aan den zijkant van den weg staren hem aan met haatflikkerende oogen; ze spuwen

Sluiten