Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zege, tevens zijn wraak „en dat alles höb ich dich te danke, araieke."

Rustig, kalm zit Wauben in zijn krot, bezig met het breien van netten; hij is op dit oogeublik een der brutaalste stroopers uit den omtrek; zonder eenige voorzorg, zonder acht te slaan op de mannen der wet, haalt hij met zijn fret de konijnen uit hunne holen in de bosschen welke het slot „la Renommée" omgeven; de oude veldwachter van Jonkheer du Pré was verschillende malen hem voorbijgeloopen, vlak langs hem heen zelfs, zonder hem te zien en voor enkele weken nog beroemde dezelfde garde champêtre, tegenover ieder, die het hooren wilde, zich nog op zijn buitengewoon scherp gezicht

en nu in eens blind stekeblind.... jawel

hij mocht niet uit zijn oogen kijken; dat had die lammeling hem zeker verboden; 't zou hem buitendien niks verwonderen, als die oud-gediende ook wel het een of ander vermoedde, als hij ten minste niet zeker wist; deze was al zoo lang in dienst van du Pré.

Hij, hij, een zoon, een kleinzoon van beulen, hij was hun aller heerscher en gebieder; ze waren allemaal, van den hoogsten tot den laagsten, allemaal bang voor hem, als wezels zoo bang ha

ha ha; wie zou dat gedacht hebben, nauwelijks

een maand geleden en in vlugge bewegingen schuiven de breipennen over elkaar.

Eensklaps een bescheiden kloppen op de deur.

Verwonderd ziet hij op; een menschelijk wezen,

Sluiten